• Home
    Home Hier kunnen alle blogberichten op de hele site gevonden worden.
  • Archief
    Archief Bevat een lijst met blogberichten die eerder gemaakt zijn.
Geplaatst op
  • Fontgrootte: Groter Kleiner

Griezelig verhaal: Gifgroen

Speciaal voor de Kinderboekenweek met het thema Griezelen een griezelig verhaal van mijn hand. Niet echt voor kinderen geschikt, maar zo kom je al wel in de goede stemming. Ik schreef het vorig jaar voor een schrijfwedstrijd waarin als vast element een zwarte raaf moest voorkomen.

Gifgroen

De landweg was nauwelijks te zien door de mist. Het was vroeg in de ochtend, maar de zon was zo waterig dat het wel avond leek. Ingespannen tuurde Tom door de voorruit om niet in de berm terecht te komen. Nog drie keer afslaan en dan was hij bij de laatste boerderij van deze weg. Tom was nog niet zo lang boswachter en hij kreeg door zijn collega’s steeds de minst fijne klusjes toegeschoven. Dat vond hij niet eens zo erg. Hij was enthousiast voor zijn vak en hij deed alles met overgave, of het nu bomen rooien was of hertenlijken opruimen. Bij het uitstappen bij de boerderij hoorde hij alleen zijn laarzen over de grond schrapen. Het landschap om hem heen was in stilte gehuld. Er dook een zwarte veeg op in zijn blikveld. Een kraai landde op een paaltje naast een weiland en kraste zo hard dat het pijn deed aan zijn oren. Verbaasd knipperde Tom even. De raaf leek hem aan te staren met een… mensenoog? De iris was groen als gif. Tom schudde wild zijn hoofd. Het werd weer een doodgewone raaf, met een zwart glanzend oog. Tom lachte om zijn eigen fantasie. In de deuropening van de boerderij stond een grijsaard hem op te wachten. De laatste boer die hier nog woonde. Tom had zijn toestemming nodig om het land achter de boerderij te betreden.

‘Wat kunt u me vertellen over het bos achter uw land?’
De boer snoot zijn neus in een vieze zakdoek.
‘Ze zegge dat ‘t er spookt. Je reinste nonsens natuurlijk. Maar ik moe zeggen dat ik me er ook nie graag waag. Jaren geleden wilde ik mijn akkers uitbreiden, dus begon ik bomen te kappe. Maar ik kreeg vreemde visioenen en hakte toen bijna mijn poot eraf. Daarna heb ik ‘t land met rust gelate. Maar omdat bijna niemand er durft te kome, gebruiken sommige lieden het juist als een plek om er ’s nachts chemische rotzooi te dumpen. Eerst kreeg ik scheefgegroeide worteltjes uit de akker, toen verrotte de sla waar ik bij stond. Nu is het land ziek en onvruchtbaar. Zelfs het onkruid wil niet groeien.’
‘Waarom woont u hier nog steeds? U bent de enige in de omstreken. Het land brengt niets meer op, hoorde ik. Al jarenlang is het onvruchtbaar.’
De boer grijnsde zijn zwarte tanden bloot. Tom weerstond de bijna automatische reactie om zijn ogen te sluiten. 
‘Mijn vrouw heb in dit huis geleefd en is in de buurt onder de grond gegaan. Ik wil haar niet in de steek laten, al is het haar erinnering. Mijn pensioen zorgt nu voor mijn ete, ‘t land heb ik nie meer nodig.’

Tom nam snel afscheid van de boer en stak een akker over richting de bosrand. Vanaf het moment dat Tom een voet tussen de bomen zette, kwam hij in een gifgroene wereld terecht. De bomen groeiden onnatuurlijke richtingen op, alsof ze zich niet lieten leiden door het zonlicht. Zonlicht wat hier ook nauwelijks doordrong. Takken met gifgroene bladeren wiegden zachtjes heen en weer, al was er geen wind. De normale dierengeluiden die hij gewend was, bestonden hier niet. Vogels waren nergens te bekennen. Wel krioelden er overal insecten rond over en rond de bomen. De mieren waren twee keer zo groot als normaal. Het liefst had hij zich nu omgedraaid en was hij weer naar zijn auto teruggegaan. Was hij terug gereden naar zijn huisje aan het bosmeer. Deze plotselinge angst was niets voor hem. Waarom deed hij zo raar?

Het was zijn taak om uit te zoeken waar het afval werd gedumpt, zodat het door de gemeente opgeruimd kon worden. De laatste boer in deze streek, die hij net had ontmoet, was rijp voor het bejaardentehuis, en als hij uit het huis was gewerkt kon het land worden ontgonnen voor nieuw gebruik. Waarschijnlijk werden er fabrieken gebouwd.
‘Ironisch eigenlijk,’ gromde Tom tussen zijn tanden. ‘Die dumpen dan weer nieuw gif in een gebied wat dan eerst ontgift is.’ De wereld was scheef.

Hij kwam dieper en dieper in het bos. Er begon een rare cadans in zijn hoofd te klinken, alsof iemand zacht zong. Hij spande zijn oren tot het uiterste in, maar de klanken bleven onverstaanbaar. Wel leken zijn benen hem steeds meer naar het geluid toe te leiden.

In de verte zag hij een silhouet tussen de bomen doorschemeren. Het leek een vrouw, maar dan onnatuurlijk groot. Tom huiverde. Waren dit de visioenen waar de boer ook eerder last van had gehad? Hij schudde met zijn hoofd om het beeld te verjagen. Maar het silhouet bleef. En hij liep er nog steeds naartoe, met trage, mechanische stappen. Droomde hij dit? Hij beet op zijn tong tot hij bloed in zijn mond voelde stromen. Zout bloed. Het leek verdomde echt allemaal.
‘Wat gebeurt er.’ fluisterde hij. ‘Wie of wat ben je?’

De zingende stem verstomde, en de zangerige stem stelde hem de wedervraag:
‘Wie of wat ben jij?’ De raaf was hem achterna gevlogen en zat nu in een boom, krassend. Maar het krassen was nu verstaanbaar.
‘Krr… krrr… Een nieuw mens.’ kraste het dier. Alsof het antwoord gaf op het wezen in de verte.
De zangerige stem klonk weer: ‘Komt hij gif brengen?’
De raaf kraste. ‘Gif. Of bloed?.’

Hoe dichter Tom bij het wezen kwam, hoe meer witte delen hij tussen de half vergane bladeren zag liggen. Toen hij er langs kwam, herkende hij de vormen. Menselijke skeletten, die half waren verzwolgen door de plantengroei er omheen. De schedels werden vermorzeld door zware plantenwortels en mos groeide over de ribbenkasten heen. Sommige witte handbeentjes zaten nog verstrengeld om gebarsten vaten heen, met verbleekte waarschuwingstekens. Giftig afval. Dus dit was er gebeurd met de lozers ervan. Tom voelde het kippenvel op zijn nek omhoog komen.

Toen hij vlak bij het wezen was, vielen zijn benen als verlamd neer op de grond. Snakkend naar adem staarde hij omhoog. Ze was immens. Ze leek gedeeltelijk op een vrouw maar ook op een oeroude boom. Haar huid was vaalgroen en mos overdekte haar als een weelderige bos haar. Haar boezem daalde moeizaam op en neer. Haar ogen hadden gifgroene irissen en staarden doordringend op hem neer.

Eindelijk beantwoordde ze Tom’s vraag.
‘Ik ben de geest van het woud. Een van de laatste die is overgebleven op aarde. Jij bent van de vervloekte dierensoort die zich heeft ontwikkeld tot een vervuilend ras. Jullie zijn het ongedierte van de aarde. Jullie vergiftigen alles waar je komt.’
Tom hief zijn handen omhoog.
‘Ik kom juist om te helpen. Ik ben een boswachter. Wij zijn er om het bos en alle dieren te beschermen.’
De vrouw lachte, het was een diep galmend geluid dat uit het hele bos rondom hem leek te komen.
‘Jij bent een speldenprik in heel die mensenwereld. Denk je echt dat je verschil kan maken? Ik ben al vergiftigd, onvruchtbaar geworden door jullie toedoen.’ Haar gezicht, dat even een miniem spoor van vriendelijkheid liet zien, verstarde weer naar een kil masker. De gifgroene ogen straalden door hem heen.
‘Nee, ik weet iets veel nuttigers voor jou. Je mag als bomenmest dienen. Goddelijke bomenmest.’
Ze boog zich over hem heen en vervlocht haar takken door zijn haren heen. Hij voelde hoe haar gewicht tegen zijn huid drong, zijn ademhalingen moeizaam maakte. Woest probeerde hij zich los te rukken, waarop haar greep verstrakte.
‘Je wilt toch de natuur helpen?’ fluisterde ze in zijn oren. ‘Misschien kan jouw onschuldige bloed eindelijk mijn aarde zuiveren. Je zou vereerd moeten zijn!’
Tom schreeuwde, zijn laatste geluid wat snel door haar groene huid werd gesmoord.

Dezelfde middag begon het onkruid enthousiast te groeien op de verlaten akkers. De groene gloed die normaal uit de bosrand straalde, ebde langzaam weg. Alleen de donkere schaduwen van een doodnormaal bos bleven over.